Theodorus R.

Op 13 januari 1997 werd een celstraf van 6 jaar geëist tegen Koos R. en op 7 februari 1997 werd hij tot 5 jaar cel veroordeeld. Volgens De Telegraaf was R. na de uitspraak lijkbleek weggetrokken en zou hij aangeslagen de rechtszaal hebben verlaten. Zijn advocaat kondigde aan in hoger beroep te gaan.
Tijdens het proces tegen R. was een grote rol weggelegd voor kroongetuige Ad K. Hij zou R. hebben genoemd als één van de leiders van de organisatie en zelf zou K. niet zo’n grote rol hebben gespeeld. Als ‘bewijs’ voor het feit dat R. een leider zou zijn geweest verklaarde hij dat R. bij veel besprekingen aanwezig was geweest, hoewel hij daarbij zelden iets gezegd zou hebben. De verdediging stelde vervolgens vast dat K. zelf ook bij die besprekingen aanwezig was geweest en dat ze daarom beiden wellicht op hetzelfde niveau opereerden binnen de organisatie.
Op 8 september 1997 begon het hoger beroep bij het gerechtshof in Amsterdam. De advocaat van Koos R. trok op de eerste dag direct aan de noodrem toen zijn cliënt spontaan inging op vragen van het hof. Na een gesprek tussen advocaat Spong en R. hield hij verder zijn mond. De rechtbank had R. onder meer vragen gesteld over een uitspraak van R. dat hij ten onrechte werd gezien als rechterhand of lijfwacht van Johan V.. R. had gezegd: “Dat ik toevallig veel mensen ken uit het criminele circuit, wil nog niet zeggen dat ik zelf een leidinggevende rol in een criminele organisatie speel. De mensen die dat verklaren hebben dat niet van mij of hebben er zelf belang bij mij te belasten.” R. gaf toe dat hij bij besprekingen aanwezig was geweest, maar hij ‘zat er alleen bij’ en had ‘niet geluisterd naar wat er besproken werd’. Het gerechthof had ook vragen over een bankrekening bij de Femis-bank die de geboortedatum van R. als toegangscode had. Volgens R. was dat toeval. De verklaringen van R. leken de verklaringen van kroongetuige Ad K. te bevestigen.