Op 11 december 1996 verscheen R. als getuige in het proces tegen Johan V. Hij verklaarde dat hij nooit in hasj had gehandeld en dat hij V. nooit had voorgesteld aan diens latere Canadese zakenrelaties, zoals werd beweerd.
R. beriep zich tijdens zijn getuigenis meerdere malen op zijn verschoningsrecht. “Ik had hier nooit moeten komen”, verzuchtte hij. De officieren van justitie deden een poging om R. te laten vervolgen voor meineed, maar de rechtbank honoreerde de poging niet. De verklaringen van R. stonden haaks op die van kroongetuige Fouad A. Volgens R. was A. iemand die op grote schaal in soft- en harddrugs handelende en wellicht betrokken was bij liquidaties.
R. liet kort voor hij moest getuigen in het proces tegen V. in een interview met De Telegraaf weten dat hij zelf ook drugsdeals had gesloten met A. Volgens R. zou A. voor tientallen miljoenen schulden hebben gehad bij hasjleveranciers uit Pakistan. Om hem onder dwang te zetten om te betalen zouden de kinderen van A. zijn ontvoerd, volgens R.
Henk R. zou bij de geboorte van Jesse R. aanwezig zijn geweest en ook de peetvader van R. zijn.
Op 3 juli 1998 werd een 27-jarige man in Amsterdam veroordeeld tot 9 jaar cel voor een mislukt transport van 50 kilo cocaïne en enkele honderden kilo’s hasj van Nederland naar Engeland. De man zou ook achter een plan zitten om Henk R. uit de weg te ruimen. Hij zou R. verantwoordelijk hebben gehouden voor het mislukken van het transport. Rond 1992 zou een Joegoslavisch moordcommando door de politie zijn gearresteerd. Ze zouden van plan zijn geweest R. te vermoorden.